Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
12 februari 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens meermalig seksueel binnendringen bij een minderjarige onder twaalf jaar en ontucht met een 11-jarig pleegkind. In cassatie werd het beroep ingesteld tegen dit arrest. De advocaat van de verdachte diende een schriftuur in namens hem.
De Advocaat-Generaal concludeerde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moest worden verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO). De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
Daarom verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 12 februari 2019.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of niet-ontvankelijkheid van de klachten.