Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
5 maart 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag inzake ontucht met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, gepleegd in strijd met de artikelen 247 en 248 van het Wetboek van Strafrecht.
Het cassatieberoep richt zich onder meer op klachten over het denatureren van een verklaring en het bewijsminimum zoals bedoeld in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (unus testis-regel). De Procureur-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad oordeelt dat het middel niet tot cassatie kan leiden en dat, gelet op artikel 81, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nodig is omdat het middel geen rechtsvragen oproept die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarom wordt het beroep verworpen en blijft het arrest van het gerechtshof in stand. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 5 maart 2019.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof blijft in stand.