Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
17 december 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor het voorhanden hebben van voorwerpen die bestemd waren voor de beroeps- of bedrijfsmatige teelt van hennep, in strijd met de Opiumwet. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatie in bij de Hoge Raad, waarbij hij betoogde dat het oordeel van het hof onjuist was.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat het middel niet tot cassatie kan leiden. Er was geen noodzaak tot nadere motivering omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De conclusie van de Advocaat-Generaal om het beroep te verwerpen werd gevolgd.
Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen en het arrest van het hof bevestigd. Hiermee blijft de veroordeling van de verdachte voor het voorhanden hebben van de voorwerpen zoals bedoeld in de Opiumwet ongewijzigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor het voorhanden hebben van voorwerpen bestemd voor beroepsmatige hennepteelt.