Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
17 december 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor medeplegen van moord en brandstichting in 2003, bekend als de Posbank-zaak. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had de verdachte veroordeeld, waarbij ook de kwalificatie van het in brand steken van een auto aan de orde was.
De verdachte stelde in cassatie onder meer een bewijsklacht en de vraag of het hof het brandstichten van de auto had moeten kwalificeren als onttrekking van een lijk aan nasporing ex art. 151 Sr Pro. De advocaat-generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Het cassatieberoep werd derhalve verworpen.
Het arrest werd gewezen door de vice-president van Schendel en raadsheren Buruma en van Strien op 17 december 2019.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor medeplegen moord en brandstichting.