Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
3 december 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen, zoals omschreven in artikel 420ter juncto 420bis.1.b van het Wetboek van Strafrecht.
De verdachte, vertegenwoordigd door advocaten uit Utrecht, stelde een middel van cassatie voor. De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft het middel beoordeeld en geoordeeld dat het niet tot cassatie kan leiden. Dit oordeel werd genomen zonder nadere motivering, omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest werd gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting. Hiermee blijft het vonnis van het gerechtshof in stand en wordt het cassatieberoep van de verdachte verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen, het arrest van het gerechtshof blijft in stand.