ECLI:NL:HR:2019:1850

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 november 2019
Publicatiedatum
26 november 2019
Zaaknummer
16/05160
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45.1 Gezondheids- en welzijnswet voor dierenArt. 4 Legkippenbesluit 2003Art. 81 ROArt. 6 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering geldboete voor illegaal houden van legkippen in traditionele kooien

De zaak betreft een cassatieberoep van een rechtspersoon die werd veroordeeld voor het houden van legkippen in traditionele legbatterijen, wat in strijd is met de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en het oude Legkippenbesluit 2003. Het hof had een geldboete van €15.000 opgelegd.

De verdediging voerde onder meer aan dat het handhavend optreden in strijd was met het gelijkheidsbeginsel en dat eerdere bestuursrechtelijke uitspraken dit bevestigden. De Hoge Raad oordeelde echter dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling hoefden te worden beantwoord.

Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden, doordat stukken te laat werden aangeleverd en de uitspraak meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep volgde. Dit leidde tot een vermindering van de geldboete van €15.000 naar €12.500.

De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof uitsluitend wat betreft de strafoplegging en wees het beroep voor het overige af.

Uitkomst: De geldboete voor het houden van legkippen in niet aangepaste kooien is verminderd van €15.000 naar €12.500.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer16/05160 E
Datum26 november 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, Economische Kamer, van 31 maart 2016, nummer 20/001675-14, in de strafzaak
tegen
[verdachte] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: de verdachte.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissing ten aanzien van de strafoplegging, tot vermindering van de straf in de mate die de Hoge Raad gepast voorkomt en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het derde middel

3.1
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2
Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 15.000,-.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete;
- vermindert de geldboete in die zin dat deze € 12.500,- bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
26 november 2019.