Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
8 januari 2019.
Hoge Raad
De verdachte, geboren in 1970, stelde cassatieberoep in tegen het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, gewezen op 6 februari 2017 in een strafzaak betreffende gewoontewitwassen.
Namens de verdachte diende advocaat G. de Hoogd middelen van cassatie in. De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee concludeerde tot verwerping van het beroep. De raadsman van verdachte reageerde hier schriftelijk op.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was, omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest werd gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 8 januari 2019.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie in de gewoontewitwassenzaak.