Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
19 november 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin de aanvrager is veroordeeld voor medeplegen van zware mishandeling met voorbedachten rade in Groningen in 2012. De mishandeling betrof een ernstig letsel toegebracht aan het slachtoffer in het trappenhuis van diens flat.
De aanvraag tot herziening baseert zich op een verklaring van een mededader die stelt dat hij zelf een van de daders was en dat de aanvrager niet betrokken was bij de mishandeling. De Hoge Raad beoordeelt of deze verklaring een nieuw gegeven vormt dat tot vrijspraak of een minder zware straf zou leiden.
Het hof had eerder geoordeeld dat de aanvrager de opdracht tot mishandeling had aanvaard, overleg had gepleegd en de plaats van het delict had verkend, en dat hij de uitvoerders had ingeschakeld. De verklaring van de mededader was summier en ongespecificeerd en werd al in hoger beroep door de verdediging aangevoerd.
De Hoge Raad concludeert dat de verklaring geen nieuw gegeven is in de zin van art. 457 lid 1 sub c Sv Pro en dat zelfs bij aanvaarding van de verklaring de door het hof vastgestelde toedracht niet onjuist wordt. Daarom wordt de aanvraag tot herziening afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af en bevestigt de veroordeling voor medeplegen van zware mishandeling met voorbedachten rade.