Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
19 november 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor meermalen gepleegde valsheid in geschrift (art. 225 Sr Pro) en het feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk onjuist/onvolledig doen van aangifte omzetbelasting door een rechtspersoon (art. 69 AWR Pro).
De verdachte stelde in cassatie onder meer dat de bewezenverklaring van het feitelijk leidinggeven enkel gebaseerd was op zijn eigen verklaring in hoger beroep. De Hoge Raad oordeelde dat dit middel niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat het middel geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriep.
De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden doordat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden (waarvan zes maanden voorwaardelijk) tot zeventien maanden en een week, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en verwierp het cassatieberoep voor het overige. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot zeventien maanden en een week, waarvan zes maanden voorwaardelijk wegens overschrijding van de redelijke termijn.