Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
12 november 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een 17-jarige verdachte die meerdere keren ontuchtige handelingen pleegde met een 13-jarig meisje in zijn woning in Amsterdam. Het meisje had meerdere glazen whisky gedronken en verkeerde daardoor in een staat van verminderd bewustzijn en lichamelijke onmacht. De verdachte was zich hiervan bewust.
Het hof oordeelde dat het algemeen bekend is dat een 13-jarige na het drinken van meerdere glazen whisky in een staat van verminderd bewustzijn verkeert. De verdachte voerde onder meer aan dat er geen ontucht was omdat de seksuele handelingen niet in strijd waren met de sociaal-ethische norm en dat hij afwezigheid van alle schuld had wegens dwaling omtrent de leeftijd van het slachtoffer.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep voor het merendeel, maar stelde vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde werkstraf van 200 uren en de subsidiaire jeugddetentie van 100 dagen naar respectievelijk 190 uren werkstraf en 95 dagen jeugddetentie.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de strafmaat en bevestigde het verder in stand. De strafrechtelijke toepassing vond plaats volgens het jeugdrecht, passend bij de leeftijd van de verdachte ten tijde van de feiten.
Uitkomst: De werkstraf en jeugddetentie werden verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn, verder werd het cassatieberoep verworpen.