ECLI:NL:HR:2019:171

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 februari 2019
Publicatiedatum
1 februari 2019
Zaaknummer
17/00076
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 6 EVRMArt. 81 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep inzake opzettelijk handelen en onrechtmatig bewijs in Opiumwetzaak

Verdachte stelde in cassatie een middel voor tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin hij werd veroordeeld voor opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. Het middel betrof een zogenaamd 359a-verweer, inhoudende dat het voorafgaand aan het verhoor legen van de broekzakken door verdachte onrechtmatig was en derhalve het bewijs niet gebruikt mocht worden.

De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad volgde dit advies en oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden, mede omdat het geen rechtsvragen opriep die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de opgelegde straf (taakstraf van zestig uur, subsidiair dertig dagen hechtenis) en de mate van termijnoverschrijding, zag de Hoge Raad geen aanleiding om rechtsgevolgen aan deze overschrijding te verbinden.

De Hoge Raad wees het beroep van verdachte af en bevestigde daarmee het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van verdachte onder de Opiumwet.

Uitspraak

5 februari 2019
Strafkamer
nr. S 17/00076
SLU
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 28 december 2016, nummer 21/000645-16,
in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft K.E. Wielenga, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.
Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde taakstraf van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
5 februari 2019.