Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het zesde middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
5 november 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor valsheid in geschrift begaan door een rechtspersoon en medeplegen van het doen van een onjuiste of onvolledige belastingaangifte, waardoor te weinig belasting werd geheven. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafmaat, en adviseerde vermindering van de straf naar de gebruikelijke maatstaf. De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden.
Dit leidde tot vermindering van de straf tot twintig maanden gevangenisstraf, waarvan zeven maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De overige middelen van cassatie werden verworpen omdat deze geen aanleiding gaven tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad, waarbij de strafvermindering het enige onderdeel van het arrest was dat werd gewijzigd.
Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd naar twintig maanden, waarvan zeven maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.