ECLI:NL:HR:2019:1699

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 november 2019
Publicatiedatum
4 november 2019
Zaaknummer
18/01503
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 SrArt. 69 AWRArt. 69.3 AWRArt. 6 EVRMArt. 81.1 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering geldboete wegens overschrijding redelijke termijn in cassatiefase bij valsheid in geschrift en onjuiste belastingaangifte

In deze strafzaak stond de verdachte, een rechtspersoon, terecht voor valsheid in geschrift en medeplegen van het doen van onjuiste of onvolledige belastingaangifte, met als gevolg dat te weinig belasting werd geheven. Het hof Arnhem-Leeuwarden had de verdachte een geldboete van €300.000 opgelegd.

De verdachte stelde cassatie in tegen het arrest van het hof. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar alleen wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, met een voorstel tot vermindering van de geldboete naar de gebruikelijke maatstaf. De overige klachten werden verworpen.

Een belangrijk punt in cassatie was de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, eerste lid, in de cassatiefase doordat het hof de stukken te laat had ingezonden. De Hoge Raad achtte dit middel gegrond en besloot daarom de geldboete te verminderen.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de geldboete en stelde deze vast op €297.500. Het beroep werd voor het overige verworpen, waarmee de overige verweren van de verdachte niet werden gehonoreerd.

Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad, na openbare terechtzitting op 5 november 2019.

Uitkomst: De geldboete is verminderd van €300.000 naar €297.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatiefase.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/01503
Datum5 november 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 14 februari 2018, nummer 21/005288-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: de verdachte.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben G.J.M.E. de Bont en A.B. Vissers, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadslieden hebben daarop schriftelijk gereageerd

2.Beoordeling van het zesde middel

2.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
2.2.
Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde geldboete van € 300.000,-.

3.Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de
opgelegde geldboete;
- vermindert de geldboete in die zin dat deze € 297.500,- bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
5 november 2019.