Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van de beroepen
3.Beslissing
5 november 2019.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde op 5 november 2019 de cassatieberoepen van twee betrokkenen tegen een beschikking van de Rechtbank Oost-Brabant. Deze beroepen hadden betrekking op een klaagschrift over beslag op goederen en data van gegevensdragers ten behoeve van Belgische justitiële autoriteiten.
De betrokkenen hadden echter geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijk voorgeschreven termijn, zoals vereist op grond van artikel 447, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor kon niet worden voldaan aan het formele vereiste voor ontvankelijkheid in cassatie.
De Advocaat-Generaal had reeds geconcludeerd dat de Hoge Raad de betrokkenen niet-ontvankelijk zou verklaren. De Hoge Raad volgde dit advies en wees het beroep af op grond van niet-ontvankelijkheid. De beschikking werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de betrokkenen niet-ontvankelijk wegens het niet indienen van middelen van cassatie binnen de wettelijke termijn.