Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
29 oktober 2019.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin een aanhoudingsverzoek werd afgewezen. De raadsvrouwe had verzocht om aanhouding omdat zij niet wist waarom de verdachte niet aanwezig was, ondanks dat de verdachte de dag voor de zitting telefonisch had aangegeven graag aanwezig te willen zijn.
De Hoge Raad oordeelt dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn die rechtvaardigen dat de afwezigheid van de verdachte niet zijn eigen beslissing was. Daarom kan het middel niet tot cassatie leiden en behoeft het geen nadere motivering. De Hoge Raad bevestigt hiermee het belang van art. 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Het beroep wordt verworpen en het arrest van het Gerechtshof Amsterdam blijft in stand. De uitspraak benadrukt het belang van aanwezigheid van de verdachte en de zorgvuldigheid bij het beoordelen van aanhoudingsverzoeken.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het aanhoudingsverzoek blijft afgewezen.