ECLI:NL:HR:2019:1549

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 oktober 2019
Publicatiedatum
8 oktober 2019
Zaaknummer
18/03463
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 EVRMArt. 2:289 Sr CuraçaoArt. 2:291 Sr CuraçaoArt. 3.1 Vuurwapenverordening 1930
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie Antilliaanse gewapende overval

In deze zaak stond een verdachte terecht voor medeplegen van diefstal met geweld en medeplegen van het voorhanden hebben van vuurwapens tijdens een gewapende overval op een onderneming in Curaçao, waarbij een bewaker van een beveiligingsbedrijf om het leven kwam. De zaak werd behandeld door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, dat de verdachte veroordeelde tot een gevangenisstraf van zestien jaar.

De verdachte stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad, waarbij onder meer werd geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het vonnis uitsluitend wat betreft de strafmaat en tot vermindering van de straf, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.

De Hoge Raad oordeelde dat de middelen die betrekking hadden op het cassatieberoep niet tot cassatie konden leiden, behalve het middel dat klaagde over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Gezien de voorlopige hechtenis van de verdachte en de lange duur van het cassatieproces, werd de straf verminderd met in totaal zeven maanden, waardoor de gevangenisstraf uitkomt op vijftien jaar en vijf maanden.

De Hoge Raad vernietigde het bestreden vonnis uitsluitend wat betreft de strafoplegging en wees het beroep voor het overige af. Deze uitspraak benadrukt het belang van de redelijke termijn in strafprocedures, ook in cassatie, en de gevolgen van overschrijding daarvan voor de strafoplegging.

Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd van zestien jaar naar vijftien jaar en vijf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/03463
Datum8 oktober 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 20 april 2017, nummer H 120/16, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
hierna: de verdachte.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.J.J. van der Heiden, advocaat te Den Helder, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak doch alleen wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het derde middel

3.1
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2
Het middel is gegrond. De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet bovendien uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van zestien jaren. In de omstandigheid dat de Hoge Raad eerst uitspraak kan doen nadat 28 maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, vindt de Hoge Raad aanleiding de opgelegde gevangenisstraf te verminderen met zeven maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vijftien jaren en vijf maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
8 oktober 2019.