ECLI:NL:HR:2019:1523

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 oktober 2019
Publicatiedatum
3 oktober 2019
Zaaknummer
19/02570
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk in bestuursrechtelijke belastingzaak

Belanghebbende uit Duitsland heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag inzake een bestuursrechtelijke belastingzaak. De Hoge Raad heeft het beroep inhoudelijk beoordeeld op ontvankelijkheid.

De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal verklaart de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk.

Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren M.A. Fierstra en P.A.G.M. Cools, en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2019.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of gebrek aan cassatiegronden.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/02570
Datum 11 oktober 2019
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] , Duitsland (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE DEN HAAG
op het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 24 april 2019, nr. SGR 18/5681 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 10 januari 2019.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het beroep in cassatie heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2019.