Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
1 oktober 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 januari 2018, waarin hij werd veroordeeld voor bedreiging met een misdrijf tegen het leven, zoals bedoeld in artikel 285 Sr Pro.
De klachten van verdachte richtten zich op het niet opnemen van bepaalde feiten in het vonnis van de rechtbank, het ontbreken van een bewezenverklaarde pleegdatum en -plaats uit het gebruikte bewijsmateriaal, en het uitsluitend baseren van de bewezenverklaring op één verklaring in strijd met artikel 342 lid 2 Sv Pro.
De Hoge Raad oordeelt dat het middel niet tot cassatie kan leiden en dat geen nadere motivering nodig is omdat het middel geen rechtsvragen oproept die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarom wordt het cassatieberoep verworpen. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 1 oktober 2019.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.