Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
1 oktober 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor het rijden terwijl hij wist dat zijn rijbewijs geschorst was. De kernvraag was of uit verklaringen van verdachte kon worden afgeleid dat hij op het moment van het rijden op 4 juli 2016 wist dat zijn rijbewijs geschorst was sinds 30 november 2015.
Verdachte had op 14 april 2016 aan de politie verklaard dat hem was verteld dat zijn rijbewijs was geschorst vanaf 30 november 2015. In een verklaring tijdens het hoger beroep gaf hij aan te denken dat zijn rijbewijs op 4 juli 2016 weer geldig was vanwege het lange tijdsverloop en een recente rechtszaak.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel van cassatie niet tot cassatie kon leiden en dat het niet noodzakelijk was om de rechtsvragen nader te motiveren. Het beroep werd verworpen, waarmee de veroordeling van het hof bleef staan.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers op 1 oktober 2019.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en de veroordeling wegens rijden tijdens geschorst rijbewijs blijft in stand.