De zaak betreft een geschil over de toekenning van extra bijdragen uit het BTW-compensatiefonds (Wet BCF) aan een gemeente die een sportaccommodatie aan een basisschool ter beschikking stelt. De gemeente bracht de betaalde omzetbelasting in aftrek, maar de Inspecteur stelde dat zij niet als ondernemer handelt voor de omzetbelasting bij de terbeschikkingstelling aan de basisschool. De naheffingsaanslagen werden opgelegd en de gemeente maakte bezwaar.
De Rechtbank stelde vast dat de gemeente geen ondernemer is voor de terbeschikkingstelling aan de basisschool en wees de gevraagde extra bijdragen af omdat de sportaccommodatie aan een individuele derde wordt ter beschikking gesteld, wat volgens artikel 4, lid 1, letter a, Wet BCF een uitsluitingsgrond is. Het Hof oordeelde echter dat het punt van de omzetbelastingaftrek nog niet definitief was vastgesteld en verwees de zaak terug naar de Inspecteur voor herbeoordeling.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof onjuist heeft geoordeeld omdat voor de omzetbelasting onherroepelijk vaststaat dat de gemeente niet als ondernemer handelt bij de terbeschikkingstelling aan de basisschool. Dit betekent dat dit oordeel ook geldt voor de toepassing van de Wet BCF. De Hoge Raad bevestigt daarom de uitspraak van de Rechtbank dat geen recht bestaat op extra bijdragen uit het BTW-compensatiefonds. De grief van de gemeente dat zij aan een collectiviteit en niet aan een individuele derde levert, wordt verworpen omdat de terbeschikkingstelling aan een individuele basisschool plaatsvindt.