Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2019:1438

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 september 2019
Publicatiedatum
25 september 2019
Zaaknummer
18/00087
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitspraak inzake naheffingsaanslag omzetbelasting 2014

De zaak betreft een cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd aan belanghebbende voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014.

Belanghebbende stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat de naheffingsaanslag onterecht was opgelegd. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof, terwijl belanghebbende ook incidenteel beroep in cassatie instelde met één middel.

De Hoge Raad oordeelt dat noch de middelen van het principale beroep noch het middel van het incidentele beroep tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie is geen nadere motivering vereist, omdat de middelen geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.

De Hoge Raad verklaart beide beroepen ongegrond en veroordeelt de Staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende voor het cassatiegeding, vastgesteld op € 1.024 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voor het incidentele beroep ziet de Hoge Raad geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Het arrest is gewezen door de raadsheren E.N. Punt (voorzitter), M.E. van Hilten en E.F. Faase en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2019.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep en het incidentele beroep in cassatie ongegrond en veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten.

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden
Derde Kamer
Nr. 18/00087
27 september 2019
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 28 november 2017, nr. 16/01522, op het hoger beroep van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 16/2443) betreffende een aan belanghebbende over tijdvakken in de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld en daarbij één middel voorgesteld.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht.
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

Wat betreft het principale beroep in cassatie zal de Staatssecretaris worden veroordeeld tot vergoeding van de kosten die belanghebbende voor het geding in cassatie heeft moeten maken.
Wat betreft het incidentele beroep in cassatie ziet de Hoge Raad geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.024 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.N. Punt als voorzitter, en de raadsheren M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2019.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 508.