De zaak betreft een cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd aan belanghebbende voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014.
Belanghebbende stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat de naheffingsaanslag onterecht was opgelegd. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof, terwijl belanghebbende ook incidenteel beroep in cassatie instelde met één middel.
De Hoge Raad oordeelt dat noch de middelen van het principale beroep noch het middel van het incidentele beroep tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie is geen nadere motivering vereist, omdat de middelen geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.
De Hoge Raad verklaart beide beroepen ongegrond en veroordeelt de Staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende voor het cassatiegeding, vastgesteld op € 1.024 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voor het incidentele beroep ziet de Hoge Raad geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Het arrest is gewezen door de raadsheren E.N. Punt (voorzitter), M.E. van Hilten en E.F. Faase en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2019.