ECLI:NL:HR:2019:139

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 februari 2019
Publicatiedatum
31 januari 2019
Zaaknummer
18/04716
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 48 lid 1 onder b Wet Bopz
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over toepassing art. 81 lid 1 RO bij voorlopige machtiging Wet Bopz

In deze zaak stond centraal de interpretatie van artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering (RO) in samenhang met de Wet Bopz betreffende voorlopige machtigingen tot inbewaringstelling. De officier van justitie had vóór het einde van de looptijd van een voorlopige machtiging een verzoek tot voortzetting van de inbewaringstelling ingediend. De rechtbank nam echter pas een beslissing nadat de looptijd van de machtiging was verstreken.

De vraag was of de rechtbank de tijd die in de tussentijd was verstreken, in mindering moest brengen op de geldigheidsduur van de voorlopige machtiging. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van betrokkene niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat de rechtsvragen niet in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling hoefden te worden beantwoord.

Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de beschikking van de rechtbank Limburg van 30 augustus 2018 in stand bleef. De uitspraak bevestigt de toepassing van artikel 81 lid 1 RO Pro in deze context zonder afwijking.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank blijft in stand.

Uitspraak

1 februari 2019
Eerste Kamer
18/04716
TT/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
t e g e n
DE OFFICIER VAN JUSTITIE BIJ HET ARRONDISSEMENTSPARKET LIMBURG,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.

1.Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/03/253757 BZ RK 18/1392 van de rechtbank Limburg van 30 augustus 2018.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van betrokkene heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
1 februari 2019.