Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
24 september 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld voor het beledigen van twee politieambtenaren door middel van een op YouTube geplaatste video waarin hij hen beledigende woorden toewierp. De bewezenverklaring betrof het opzettelijk beledigen van de ambtenaren tijdens een gesprek in Rotterdam, waarbij het gesprek werd opgenomen en het filmpje vervolgens op internet werd geplaatst.
De Hoge Raad oordeelde dat de bewezenverklaring, voor zover deze inhoudt dat verdachte zelf het filmpje op YouTube heeft geplaatst, niet zonder meer kon worden afgeleid uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen. De verklaringen van de politieambtenaren en het proces-verbaal boden onvoldoende directe aanwijzingen dat verdachte zelf het filmpje had geüpload.
Daarom werd het middel van cassatie gegrond verklaard, het bestreden arrest vernietigd voor zover het deze bewezenverklaring en de strafoplegging betreft, en de zaak terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling. Voor het overige werd het beroep verworpen.
De uitspraak benadrukt het belang van een deugdelijke motivering en voldoende bewijs voor het toerekenen van het plaatsen van een beledigende video op internet aan de verdachte.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende bewijs voor het plaatsen van de beledigende video door verdachte.