Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
10 september 2019.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin het beroep op noodweer werd verworpen. Verdachte had zijn echtgenoot mishandeld door haar bij de keel te grijpen en tegen de grond te drukken, nadat zij hem in zijn borst had gebeten en om zich heen had geslagen.
Het Hof kon niet vaststellen wat de exacte volgorde van de geweldshandelingen was en achtte de lezing van verdachte over het voorafgaande geweld niet aannemelijk. Daarom verwierp het het noodweerverweer en veroordeelde verdachte. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof zijn beslissing onvoldoende begrijpelijk had gemotiveerd, omdat het enerzijds niet kon vaststellen wat de volgorde was, maar anderzijds de verklaring van verdachte gebruikte die juist een reactie op het geweld van de echtgenoot beschreef.
De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het Hof Den Haag voor een nieuwe beoordeling van het hoger beroep op basis van het bestaande dossier. De zaak betreft een complexe beoordeling van noodweer in een context van wederzijdse geweldshandelingen binnen een relatie.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest en wijst zaak terug voor hernieuwde beoordeling van het noodweerverweer.