Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
3 september 2019.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarbij verdachte werd veroordeeld voor doodslag door opzettelijk meerdere steken toe te brengen met een mes aan het slachtoffer.
De verdachte stelde onder meer het verweer van noodweer(exces) aan de orde, maar de Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.
De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis verbleef.
Op grond hiervan vernietigde de Hoge Raad het arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf van elf jaren en verminderde deze tot tien jaren en elf maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 3 september 2019.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot tien jaren en elf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.