Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
27 augustus 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een jeugdige verdachte die wordt verdacht van poging tot doodslag door met zeer hoge snelheid met een auto op een politieagent in te rijden, zoals omschreven in art. 287 Sr Pro.
De verdachte heeft tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. Echter heeft de raadsman van de verdachte geen middelen van cassatie binnen de wettelijk gestelde termijn ingediend, zoals vereist volgens art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Hierdoor is het beroep niet ontvankelijk verklaard door de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft het beroep van de verdachte afgewezen zonder inhoudelijke behandeling van de zaak.
De uitspraak is gedaan door raadsheer E.S.G.N.A.I. van de Griend op 27 augustus 2019, waarbij tevens de waarnemend griffier E. Schnetz aanwezig was. De uitspraak werd ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Uitkomst: Hoge Raad verklaart verdachte niet-ontvankelijk in cassatieberoep wegens niet-indienen middelen.