Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Beslissing
29 januari 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit Opiumwetdelicten. De betrokkene stelde cassatiemiddelen in tegen het hofarrest, onder meer over bewijs en de omvang van het genoten voordeel.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen over bewijs en het verweer dat anderen dan betrokkene en medebetrokkene van het wederrechtelijk verkregen voordeel hebben genoten, niet tot cassatie konden leiden. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn in de cassatiefase was overschreden doordat het hof de stukken te laat had ingezonden.
Als gevolg hiervan vernietigde de Hoge Raad het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting en verminderde deze van €780.670,- naar €775.670,-. Het beroep werd voor het overige verworpen.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 29 januari 2019.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €780.670,- naar €775.670,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.