ECLI:NL:HR:2019:1170

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juli 2019
Publicatiedatum
11 juli 2019
Zaaknummer
18/01570
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 8 EVRMArt. 6:106 lid 1 onder b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in zaak over overheidsaansprakelijkheid en identiteitsfraude

In deze zaak heeft de bewindvoerder van een persoon die slachtoffer werd van identiteitsfraude, cassatieberoep ingesteld tegen de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De zaak betreft overheidsaansprakelijkheid en de vraag of er sprake is van een schending van artikel 8 EVRM Pro (recht op privacy) en de vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 lid 1 onder Pro b BW.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere uitspraken van de rechtbank Den Haag en het gerechtshof Den Haag waarin de aansprakelijkheid van de Staat en de vergoeding van schade zijn behandeld. De klachten van de bewindvoerder in het cassatieberoep zijn getoetst, maar de Hoge Raad oordeelt dat deze niet leiden tot cassatie, mede omdat zij geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.

De Hoge Raad wijst het beroep af en veroordeelt de bewindvoerder tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de Staat, inclusief wettelijke rente indien niet tijdig voldaan. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een vierde raadsheer.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de bewindvoerder wordt verworpen en de bewindvoerder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer18/01570
Datum12 juli 2019
ARREST
In de zaak van
STICHTING CENTRALE ADMINISTRATIE VOOR VOORZIENINGEN OP HET GEBIED VAN DE GEZONDHEIDS- EN WELZIJNSZORG, in haar hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van [eiser],
gevestigd te Zoetermeer,
EISERES tot cassatie,
hierna: de bewindvoerder,
advocaat: mr. Y.E.J. Geradts,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid),
zetelende te Den Haag,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de Staat,
advocaten: mr. G.C. Nieuwland en mr. M.H.K. Jansen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
het vonnis in de zaak C/09/486531 / HA ZA 15-445 van de rechtbank Den Haag van 20 april 2016;
het arrest in de zaak 200.192.862/01 van het gerechtshof Den Haag van 16 januari 2018.
De bewindvoerder heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld. De Staat heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor de Staat toegelicht door zijn advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de bewindvoerder heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt de bewindvoerder in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 2.707,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de bewindvoerder deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
12 juli 2019.