Uitspraak
gevestigd te Zoetermeer,
zetelende te Den Haag,
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
12 juli 2019.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de bewindvoerder van een persoon die slachtoffer werd van identiteitsfraude, cassatieberoep ingesteld tegen de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De zaak betreft overheidsaansprakelijkheid en de vraag of er sprake is van een schending van artikel 8 EVRM Pro (recht op privacy) en de vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 lid 1 onder Pro b BW.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere uitspraken van de rechtbank Den Haag en het gerechtshof Den Haag waarin de aansprakelijkheid van de Staat en de vergoeding van schade zijn behandeld. De klachten van de bewindvoerder in het cassatieberoep zijn getoetst, maar de Hoge Raad oordeelt dat deze niet leiden tot cassatie, mede omdat zij geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.
De Hoge Raad wijst het beroep af en veroordeelt de bewindvoerder tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de Staat, inclusief wettelijke rente indien niet tijdig voldaan. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een vierde raadsheer.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de bewindvoerder wordt verworpen en de bewindvoerder wordt veroordeeld in de proceskosten.