Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
9 juli 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond een politieagent terecht die tijdens een aanhouding een man bij zijn keel had gepakt en meerdere keren hard met een vuist in het gezicht had gestompt, wat resulteerde in zwaar lichamelijk letsel zoals een gebroken neus en een afgebroken tand.
De verdachte voerde in cassatie aan dat het letsel niet het gevolg was van de bewezenverklaarde gedragingen en dat het letsel niet als zwaar lichamelijk letsel kon worden aangemerkt. Tevens beriep hij zich op artikel 42 van Pro het Wetboek van Strafrecht, stellende dat hij niet strafbaar was omdat hij handelde ter uitvoering van een wettelijk voorschrift.
De Hoge Raad verwierp deze middelen en het beroep op artikel 42 Sr Pro, oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was. Het cassatieberoep werd derhalve verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de politieagent is verworpen, de veroordeling voor mishandeling met zwaar lichamelijk letsel blijft in stand.