Uitspraak
8 november 2017, nummer 20/002854-15, in de strafzaak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
- ten aanzien van [betrokkene 1] 20 ribbreuken (beiderzijds en achterwaarts en zijwaarts) en een breuk aan het linker bovenarmbot en een breuk aan het linkerspaakbeen en een breuk aan het linkerdijbeen en
[betrokkene 2] (hierna [betrokkene 2] ).
18 augustus 2015 heeft verdachte daarover verklaard dat [betrokkene 3] de kinderen schudde in de box en in bed en tegen [betrokkene 7] heeft verdachte gezegd dat “ [betrokkene 3] de baby’s vast heeft en schudt als ze huilen” (eindp-v p. 104). Tegen [betrokkene 3] had verdachte ook opgemerkt dat hij de kinderen als een zak cement behandelde (eindp-v p. 159). In haar ogen was het niet normaal hoe [betrokkene 3] met de kinderen omging. Het handelen van [betrokkene 3] was dermate ruw dat in het geval zij in Indonesië waren geweest en zij dit handelen aldaar had waargenomen, zij haar familie en de politie had ingeschakeld. Bij het zien van de blauwe plekken in het gezicht, welke in het bijzijn van [betrokkene 4] werden waargenomen op 20 februari 2014, was zij zeker in Indonesië naar de politie gegaan. Zij heeft verder nog verklaard dat zij weet, ook omdat zij in Indonesië een opleiding heeft gehad als kleuterleidster en jarenlang daar als kleuterleidster werkzaam is geweest, dat je voorzichtig met baby’s moet omgaan en dat zij ook altijd voorzichtig met haar baby’s is omgegaan.
3.Beslissing
9 juli 2019.