Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
9 juli 2019.
Hoge Raad
De Rechtbank Den Haag heeft bepaald dat een eerder niet ten uitvoer gelegde maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen alsnog uitgevoerd moet worden. Tegen deze beslissing is een aanvraag tot herziening ingediend door de advocaat van de jeugdige.
De Hoge Raad heeft deze aanvraag beoordeeld en geoordeeld dat de beslissing van de Rechtbank geen uitspraak is die een veroordeling inhoudt in de zin van artikel 457, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor is de aanvraag tot herziening niet ontvankelijk op grond van artikel 465, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Hoge Raad verklaart daarom de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk en bevestigt dat de maatregel van plaatsing alsnog ten uitvoer kan worden gelegd. Hiermee wordt de procedure beëindigd zonder inhoudelijke beoordeling van de aanvraag.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk omdat de beslissing geen veroordeling inhoudt.