Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
9 juli 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor openlijke geweldpleging, waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opliep. Het hof had geoordeeld dat niet bewezen kon worden dat de verdachte zelf het letsel had toegebracht, waardoor de strafverzwarende omstandigheid van artikel 141, tweede lid, Sr buiten beschouwing bleef. Desondanks nam het hof de gevolgen van het groepsgeweld, binnen de grenzen van artikel 141, eerste lid, Sr, mee bij het bepalen van de strafmaat.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de ernst van het letsel, hoewel niet rechtstreeks aan de verdachte toe te rekenen als strafverzwarende omstandigheid, wel betrokken mag worden bij de strafmaat. Dit betekent dat de gevolgen van het groepsgeweld kunnen worden meegewogen zonder dat de strafverzwarende omstandigheid van artikel 141, tweede lid, Sr bewezen hoeft te zijn.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep zonder nadere motivering, omdat de middelen niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Hiermee blijft het oordeel van het hof in stand dat de strafmaat kan worden verhoogd op grond van het toegebrachte letsel binnen de context van groepsgeweld, ook als de verdachte niet persoonlijk verantwoordelijk is voor het letsel.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hof mocht het toegebrachte letsel betrekken bij de strafmaat ondanks vrijspraak van de strafverzwarende omstandigheid.