Uitspraak
1.De bestreden uitspraak
2.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
25 juni 2019.
Hoge Raad
De Rechtbank Den Haag verklaarde de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Turkije toelaatbaar ter vervolging voor het invoeren van heroïne van Iran naar Turkije in 2011 en deelname aan een criminele organisatie. De opgeëiste persoon stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing.
De Hoge Raad beoordeelde onder meer de bevoegdheid van de uitleveringsrechter om te oordelen over een beroep op een dreigende flagrante inbreuk op artikel 6 EVRM Pro, met betrekking tot de redelijke termijn en detentieomstandigheden. Tevens werd de voldoende duidelijkheid van de feitelijke omschrijving in het uitleveringsverzoek getoetst.
De Advocaat-Generaal adviseerde tot vernietiging van de uitspraak uitsluitend voor wat betreft de feitelijke omschrijving, met een verbeterde lezing, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad volgde dit advies en verwierp het cassatieberoep, waarmee de uitlevering werd bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de toelaatbaarheid van de uitlevering aan Turkije.