Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
[verbalisant] :
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
25 juni 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die op 9 december 2016 werd betrapt op het besturen van een motorrijtuig terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Het hof had hem hiervoor veroordeeld op basis van diverse bewijsmiddelen, waaronder het proces-verbaal van de verbalisant en correspondentie van het CBR.
De verdachte voerde aan dat zijn rijbewijs weer geldig was verklaard en dat hij een brief van het CBR had ontvangen ter bevestiging, evenals het rijbewijs thuisgestuurd had gekregen. Het hof heeft deze verklaring van de verdachte echter zonder nadere motivering betrokken in de bewezenverklaring, terwijl deze in strijd was met de overige bewijsmiddelen.
De Hoge Raad oordeelt dat hierdoor de motivering van de bewezenverklaring ontoereikend is. Dit leidt tot vernietiging van het arrest en terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde berechting en beslissing.
De Hoge Raad volgt hiermee de conclusie van de Advocaat-Generaal en benadrukt het belang van een deugdelijke motivering bij tegenstrijdige bewijsmiddelen. De zaak wordt op 25 juni 2019 door de Hoge Raad behandeld en het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de strafkamer.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende motivering van de bewezenverklaring.