Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
25 juni 2019.
Hoge Raad
In deze zaak betrof het beklag tegen het beslag ex artikel 94 Sv Pro op een auto die door A was gekocht van B, maar waarvan de koopsom niet was betaald. De auto was in beslag genomen vanwege verdenking van verduistering en vervolgens, tijdens het beslag, door A verkocht aan klager. De officier van justitie gaf de auto terug aan de oorspronkelijke eigenaar B, waarna klager een klaagschrift indiende om het beslag op te heffen en de auto terug te krijgen.
De rechtbank verklaarde het klaagschrift niet-ontvankelijk omdat de auto in beslag was genomen onder A en niet onder klager. Klager voerde aan dat hij te goeder trouw was en dat de officier van justitie hem had moeten informeren over het voornemen tot teruggave, zodat hij zich had kunnen beklagen. De rechtbank oordeelde dat artikel 116 lid 3 Sv Pro alleen ziet op degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen, en dat klager niet die persoon was.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van klager. De Hoge Raad stelde dat het klaagschrift terecht niet-ontvankelijk werd verklaard en dat klager niet ontvankelijk is in het cassatieberoep. Hiermee is het besluit van de rechtbank bekrachtigd dat de teruggave aan de oorspronkelijke eigenaar rechtmatig was.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beklag tegen de teruggave van de auto.