Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
12 juni 2018.
Hoge Raad
Op 29 januari 2013 heeft verdachte samen met anderen een man in Den Haag zwaar mishandeld door hem met een mes te snijden en te slaan. Verdachte had het initiatief genomen en anderen opdracht gegeven het slachtoffer aan te vallen, waarbij hij een concreet plan opstelde en een foto van het slachtoffer toonde.
De mededaders kenden het slachtoffer niet, en verdachte was zelf niet aanwezig bij de mishandeling. Het hof oordeelde dat verdachte medepleger was, omdat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het slachtoffer een andere persoon kon zijn dan degene die hij bedoelde.
Verdachte voerde in cassatie aan dat hij geen opzet had op het toebrengen van zwaar letsel aan het slachtoffer, maar het hof had dit voldoende gemotiveerd bewezen verklaard. De Hoge Raad oordeelt dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven en het cassatieberoep faalt.
Het arrest bevestigt dat medeplegen ook geldt bij feitelijke dwaling van mededaders over het slachtoffer en dat opzet kan worden aangenomen als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat het slachtoffer een ander is dan beoogd.
De Hoge Raad wijst het beroep af en bevestigt het hofarrest van 7 maart 2017, waarmee verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van zware mishandeling met voorbedachte raad.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt het hofarrest en veroordeelt verdachte voor medeplegen van zware mishandeling met voorbedachte raad.