Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
12 juni 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 23 november 2016 in een mishandelingszaak. De verdachte klaagde dat uit het bewijs niet kon worden afgeleid dat het slachtoffer pijn had ondervonden en dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het gebruik had gemaakt van de verklaring van een (beperkt) anoniem gebleven getuige.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat de klachten niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling noodzaakten. De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee het arrest van het hof.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, op 12 juni 2018. De conclusie van de plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens was eveneens tot verwerping van het beroep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.