Belanghebbende, vertegenwoordigd door haar directeur en enig aandeelhouder, voerde bezwaar tegen een naheffingsaanslag en boetebeschikking op grond van omzetbelasting over 2005. Na een boekenonderzoek en overleg met de Inspecteur werd een compromis bereikt over een boete van €10.000, bevestigd in een brief van 17 augustus 2011. Hoewel belanghebbende niet de brief voor akkoord ondertekende, bevestigde zij later per e-mail de gemaakte afspraken.
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat het compromis tot stand was gekomen door aanvaarding van het voorstel door belanghebbende. In cassatie stelde belanghebbende dat het compromis niet rechtsgeldig was omdat niet was voldaan aan de schriftelijke ondertekening en de bedenktijd zoals voorgeschreven in het Besluit fiscaal bestuursrecht.
De Hoge Raad verwierp deze klachten. De schriftelijke vastlegging en ondertekening zijn geen vereisten voor de geldige totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Ook het beroep op de bedenktijd faalde omdat dit een feitelijke kwestie betreft die niet in cassatie kan worden onderzocht. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond.