Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.De conclusie van de Advocaat-Generaal
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Beslissing
23 januari 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2018 waarin een verzoek tot herziening werd behandeld van een vonnis van de Politierechter te Zutphen uit 2013. De aanvrager was veroordeeld voor meermalige diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij een werkstraf van 30 uur of subsidiair 15 dagen hechtenis was opgelegd.
Het herzieningsverzoek berustte op de stelling van persoonsverwisseling, waarbij de broer van de aanvrager zich zou hebben schuldig gemaakt aan de diefstallen en zich had uitgegeven voor de aanvrager. De Advocaat-Generaal concludeerde dat de aanvraag niet ontvankelijk was omdat het aangevoerde geen nieuw gegeven was dat tot vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging zou kunnen leiden.
De Hoge Raad overwoog dat volgens artikel 457 lid 1 onder Pro c Sv een herziening slechts kan worden toegewezen indien sprake is van een nieuw, door bescheiden gestaafd gegeven dat bij de oorspronkelijke terechtzitting niet bekend was en dat ernstige twijfel aan de schuld van de veroordeelde wekt. Dit was niet het geval, omdat de resultaten van het verzochte nader onderzoek en de ingebrachte stukken onvoldoende steun boden aan de stelling van persoonsverwisseling.
Daarom wees de Hoge Raad het verzoek tot herziening af en bevestigde daarmee het vonnis van de Politierechter. De beslissing werd genomen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af wegens onvoldoende bewijs van persoonsverwisseling.