Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
29 mei 2018.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond verdachte terecht voor feitelijke leiding geven aan meermalen gepleegde valsheid in geschrift door een rechtspersoon, zoals bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had verdachte eerder veroordeeld en het cassatieberoep richtte zich onder meer op vermeende schendingen van procesrechten, waaronder de vertaling van een deel van de verklaring van verdachte door een tolk en de afwijzing van een getuigenverzoek.
De Hoge Raad oordeelde dat het beroep in cassatie niet tot cassatie kon leiden. De vermeende schending van artikel 275 van Pro het Wetboek van Strafvordering en artikel 6.3.e van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) werd niet nader gemotiveerd, mede omdat het technische karakter van het betwiste deel van de verklaring geen schending opleverde.
Daarnaast werd het standpunt van verdachte dat de Belastingdienst geen nadeel had ondervonden door de fraude niet relevant geacht voor de cassatie. De Hoge Raad stelde vast dat de middelen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling noodzaak gaven en wees het beroep af.
Het arrest werd uitgesproken door de Strafkamer van de Hoge Raad op 29 mei 2018, waarbij vice-president J. de Hullu als voorzitter en raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers het arrest tekenden.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.