Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Slotsom
4.Beslissing
29 mei 2018.
Hoge Raad
De verdachte was in hoger beroep niet verschenen bij de terechtzitting, waarna het Hof Den Haag verstek verleende en de zaak inhoudelijk behandelde. De dagvaarding was persoonlijk aan de verdachte uitgereikt. Tijdens cassatie is gebleken dat de verdachte op de zittingsdatum in verband met een andere strafzaak gedetineerd was, wat het Hof niet wist.
Het proces-verbaal van de zitting vermeldde dat de raadsvrouwe niet uitdrukkelijk gemachtigd was om te verdedigen, en dat het onderzoek ter terechtzitting werd gesloten. Uit overgelegde stukken blijkt dat de verdachte op de dag van de zitting werd vastgehouden wegens poging tot doodslag en dat hij op dat moment leed aan een schizofrene psychose.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof ten onrechte verstek heeft verleend omdat de verdachte niet vrijwillig afstand deed van zijn recht op aanwezigheid. Gezien het grote belang van het recht op aanwezigheid moet de zaak opnieuw in hoger beroep worden behandeld in aanwezigheid van de verdachte. Daarom wordt het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het Hof Den Haag.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting in hoger beroep in aanwezigheid van de verdachte.