Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
29 mei 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld bij verstek voor wederspannigheid gepleegd op of omstreeks 27 maart 2007. Het hof legde een geldboete op van €260,-, subsidiair 5 dagen hechtenis. Het feit is strafbaar gesteld in artikel 180 Sr Pro, met een maximale gevangenisstraf van een jaar.
Bij de stukken bevond zich een verstekmededeling van 8 januari 2009. Uit het dossier bleek dat gedurende zes jaren na deze datum geen vervolgingshandelingen zijn verricht. Volgens artikel 70, eerste lid, onderdeel 2 Sr is de verjaringstermijn van zes jaren verstreken, waardoor het recht tot strafvordering is vervallen.
De Hoge Raad oordeelt ambtshalve dat het arrest van het hof niet in stand kan blijven vanwege deze verjaring. De middelen behoeven geen bespreking en de officier van justitie wordt alsnog niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging. Het arrest is vernietigd, behoudens voor zover het vonnis van de politierechter werd vernietigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk wegens verjaring van de vervolging.