Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
22 mei 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor verduistering van een leenauto van een autoschadebedrijf, waarbij de vraag speelde of sprake was van wederrechtelijke toe-eigening in de zin van artikel 321 Sr Pro.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het middel van cassatie niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, waarna het beroep werd verworpen. Hiermee bleef het arrest van het hof in stand en is de veroordeling definitief.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.