Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
15 mei 2018.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag betreffende medeplegen van phishingfraude, diefstallen en (pogingen tot) oplichtingen waarbij klanten van een bank telefonisch en per e-mail werden benaderd om inloggegevens af te geven.
Hoewel de middelen van cassatie niet tot vernietiging van het arrest konden leiden, constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM was overschreden. Dit leidde tot een ambtshalve vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met 227 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend wat betreft de strafduur en bevestigde het arrest voor het overige. De strafvermindering weerspiegelt het belang van een tijdige rechtsgang en de bescherming van het recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn.
Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd met 227 dagen wegens overschrijding redelijke termijn, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met proeftijd van 2 jaar.