ECLI:NL:HR:2018:698

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 mei 2018
Publicatiedatum
15 mei 2018
Zaaknummer
15/00352
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 395, tweede lid, SvArt. 395a, eerste lid, SvArt. 404, tweede lid, aanhef en onder a, SvArt. 440 SvArt. 257f Sv
Verwijzingen
9 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering stempelvonnis overtreding APV Den Haag

De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte tegen een vonnis van de kantonrechter van de Rechtbank Den Haag, sector Kanton, waarin de verdachte schuldig werd verklaard voor een overtreding van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Den Haag 2013 zonder oplegging van straf.

De kantonrechter had de eerder uitgevaardigde strafbeschikking vernietigd en in het proces-verbaal van de terechtzitting volstond met een verwijzing naar een gewaarmerkte aantekening (stempelvonnis). Deze aantekening ontbrak echter aan essentiële elementen zoals de gebruikte bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring.

De Hoge Raad oordeelde dat het vonnis niet voldoet aan de vereisten van artikel 395, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering in verbinding met artikel 2 van Pro de Regeling aantekening mondeling vonnis. Hierdoor is het vonnis niet rechtsgeldig aangetekend en moet het worden vernietigd.

De zaak wordt terugverwezen naar de Rechtbank Den Haag, sector Kanton, voor een nieuwe berechting conform de wettelijke voorschriften. Tevens werd geoordeeld dat het niet onverwijld opmaken van de cassatie-akte niet tegen de verdachte kan worden gebruikt.

Deze uitspraak benadrukt het belang van een volledige en correcte motivering in stempelvonnissen en de naleving van formele vereisten voor de rechtsgeldigheid van vonnissen.

Uitkomst: Het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting.

Uitspraak

15 mei 2018
Strafkamer
nr. S 15/00352
DOo/EC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Rechtbank Den Haag, sector Kanton, van 21 januari 2015, nummer 96/228549-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.M. Lintz, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot zodanige op art. 440 Sv Pro gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2.Beoordeling van het eerste middel

2.1.
Het middel klaagt dat het vonnis van de Kantonrechter niet is aangetekend op de wijze als in de wet voorzien.
2.2.1.
Het procesverloop in deze zaak is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4 tot en met 9. De voor de beoordeling van het middel van belang zijnde stukken van het geding zijn weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 14 en 15.
2.2.2.
Samengevat gaat het in deze zaak om het volgende. De Kantonrechter in de Rechtbank Den Haag heeft bij - op tegenspraak gewezen - vonnis van 21 januari 2015 de eerder tegen de verdachte uitgevaardigde strafbeschikking vernietigd en de verdachte schuldig verklaard zonder oplegging van straf ter zake een overtreding van de Algemene Plaatselijke Verordening Den Haag 2013. Tegen dit vonnis – waartegen op grond van art. 404, tweede lid aanhef en onder a, Sv geen hoger beroep openstaat – is door de verdachte tijdig beroep in cassatie ingesteld. De Kantonrechter heeft in het proces-verbaal van de terechtzitting wat betreft de uitspraak volstaan met een verwijzing naar een gewaarmerkte aantekening als bedoeld in art. 395a, eerste lid, Sv (een zogenoemd stempelvonnis). In deze aantekening ontbreken – onder meer – de gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring.
2.3.
Het vonnis van de Kantonrechter voldoet aldus niet aan de eisen van art. 395, tweede lid, Sv in verbinding met art. 2 Regeling Pro aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep. Het middel klaagt daarover terecht.

3.Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar de Rechtbank Den Haag, sector Kanton, opdat de zaak op de oproeping als bedoeld in art. 257f Sv opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
15 mei 2018.