Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
zetelende te Rotterdam,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
20 april 2018.
Hoge Raad
Betrokkene heeft cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 28 december 2017, waarin de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling op grond van de Wet Bopz werd bevestigd. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep.
De Hoge Raad heeft de aangevoerde klachten onderzocht en geoordeeld dat deze niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie behoefde dit geen nadere motivering omdat de klachten niet de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling vereisten.
Daarmee heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen en de beschikking van de rechtbank gehandhaafd. Dit betreft een beschikking in een zaak over de toepassing van de Wet Bopz, specifiek over de machtiging tot voortzetting van inbewaringstelling wegens onmiddellijk dreigend gevaar.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking tot voortzetting van inbewaringstelling blijft gehandhaafd.