ECLI:NL:HR:2018:642

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 april 2018
Publicatiedatum
19 april 2018
Zaaknummer
18/00477
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 27 Wet BopzArt. 20 lid 2 onder c Wet Bopz
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep inzake machtiging voortzetting inbewaringstelling Wet Bopz

Betrokkene heeft cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 28 december 2017, waarin de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling op grond van de Wet Bopz werd bevestigd. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep.

De Hoge Raad heeft de aangevoerde klachten onderzocht en geoordeeld dat deze niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie behoefde dit geen nadere motivering omdat de klachten niet de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling vereisten.

Daarmee heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen en de beschikking van de rechtbank gehandhaafd. Dit betreft een beschikking in een zaak over de toepassing van de Wet Bopz, specifiek over de machtiging tot voortzetting van inbewaringstelling wegens onmiddellijk dreigend gevaar.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking tot voortzetting van inbewaringstelling blijft gehandhaafd.

Uitspraak

20 april 2018
Eerste Kamer
18/00477
LZ/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[betrokkene] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. M.A.M. Wagemakers,
t e g e n
de OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT ROTTERDAM,
zetelende te Rotterdam,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.

1.Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/10/541784/FA RK 17-10695 van de rechtbank Rotterdam van 28 december 2017.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest en het aanvullend cassatierekest zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van betrokkene heeft bij brief van 9 maart 2018 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.V. Polak en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op
20 april 2018.