Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3 Beslissing
17 april 2018.
Hoge Raad
Deze zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake poging tot doodslag op zijn ex-echtgenoot in Zwolle. Het beroep werd ingesteld door verdachte, vertegenwoordigd door zijn advocaat.
De Hoge Raad heeft het beroep inhoudelijk niet behandeld omdat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit was omdat verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang had bij het cassatieberoep en de klachten niet tot cassatie konden leiden. De Procureur-Generaal is gehoord en stemde in met deze beoordeling.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Dit arrest is uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 17 april 2018.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en geen kans op slagen.