Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
13 april 2018.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vermogensrechtelijke afwikkeling van een echtscheiding tussen een man en een vrouw centraal, waarbij Marokkaans recht van toepassing was. De procedure begon bij de rechtbank Arnhem en werd voortgezet bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, dat meerdere beschikkingen heeft gegeven, waarvan de laatste op 23 mei 2017.
De man stelde beroep in cassatie in tegen de beschikking van het hof van 23 mei 2017. De vrouw verzocht het cassatieberoep te verwerpen. De Advocaat-Generaal adviseerde eveneens tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was omdat de klachten niet leidden tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarmee werd het cassatieberoep verworpen en het oordeel van het hof bekrachtigd. De beschikking werd gegeven door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Heisterkamp en Polak en in het openbaar uitgesproken door Tanja-van den Broek.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel van het hof bevestigd.