Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
3 april 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor medeplegen van een woningoverval. Het hof Amsterdam had een gevangenisstraf van vijf jaar opgelegd. De verdachte stelde een middel van cassatie in, dat door de Hoge Raad niet ontvankelijk werd verklaard omdat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte.
De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een ambtshalve vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf en verminderde deze van vijf jaar naar vier jaar en tien maanden. Voor het overige werd het cassatieberoep verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier tijdens een openbare zitting op 3 april 2018.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van vijf jaar naar vier jaar en tien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.