Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
16 januari 2018.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte verworpen. Het beroep was gericht tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 februari 2016. Namens verdachte diende advocaat R. Gijsen uit Maastricht het cassatieberoep in. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering was geen nadere motivering vereist, omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarnaast speelde in de procedure een kwestie omtrent het aanwezigheidsrecht, waarbij bleek dat de raadsman langdurig ziek was en zijn zaken had overgedragen zonder duidelijkheid aan wie. Ook was de raadsman uit het advocatenregister geschrapt. Dit had echter geen invloed op de beslissing van de Hoge Raad.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, samen met raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in aanwezigheid van de waarnemend griffier E. Schnetz, tijdens een openbare terechtzitting op 16 januari 2018.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het gerechtshof.